Posts tonen met het label Onderzoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderzoek. Alle posts tonen

zaterdag 21 september 2013

Eerste Onderwijsconferentie voor docenten en hoogbegaafde leerlingen

Leiden - Bureau Talent bestaat 5 jaar en dat wordt gevierd met een Lustrumconferentie op 29 oktober in Het Leidse Volkshuis in Leiden. Een bijzondere conferentie want deze is mét de leerlingen. Daarnaast komt Mariska Poelman van het (ook jarige) CBO (Centrum voor Begaafdheidsonderzoek aan de Universiteit Nijmegen) in haar keynote voor vertellen over de uitkomsten van het onderzoek naar Hoogbegaafdheid bij allochtone en autochtone leerlingen.

Na de keynote volgt een gevarieerd workshop-programma dat samen of apart door docenten en leerlingen gevolgd kan worden: van perfectionisme, autisme en faalangst in combinatie met hoogbegaafdheid tot de publieke dimensie van wetenschap en zwarte gaten! De dag wordt afgesloten met een leerlingen- en docentenforum over de ideale school. Ellen Sinot, mede-auteur van IQ te koop!, zal hierbij aanwezig zijn als ervaringsdeskundige hoogbegaafde leerling/student.

De dag duurt van 13.30 tot 18.00 uur. 
Locatie: Het Leidse Volkshuis, Apothekersdijk 33a, in Leiden.
Kosten: € 135 per docent; € 67,50 per leerling
Aanmelden: tot uiterlijk 26 september 2013

Voor meer informatie en het aanmeldingsformulier zie: 





vrijdag 18 januari 2013

Onderzoek werkbeleving van hoogbegaafden door Universiteit van Utrecht

Voor het eerst zijn er nu kwantitatieve gegevens beschikbaar over de werkbeleving van hoogbegaafde volwassenen! In het kader van een onderzoek naar werkbeleving vanuit de Universiteit van Utrecht (Sociale en Organisatie Psychologie o.l.v. prof dr Toon Taris) is in 2012 ook een groep hoogbegaafden onderzocht (onderzoeker mw drs G. Reijseger). De eerste vragenlijst is afgenomen in april/mei 2012. De respons was met meer dan 1250 hoogbegaafde deelnemers overweldigend. De tweede vragenlijst zal naar verwachting in februari/ maart 2013 worden afgenomen bij dezelfde mensen.

De eerste resultaten laten zien dat hoogbegaafde werkenden een heel positief beeld afgeven van hun werkbeleving. Zij hebben het gevoel goed aan te sluiten bij hun organisatie en hun werk, ervaren weinig conflict tussen werk en privé, zijn bevlogen en vooral niet enorm gestrest en/of verveeld, en kunnen prima voldoen aan hun taakeisen.

Opvallend is wel een aantal verschillen tussen hoogbegaafden die (deels) in loondienst werken en zij die als zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers) werken. De laatste groep is veel tevredener over aansluiting/fit met hun werk dan de hoogbegaafden in loondienst.

Gemiddeld genomen is de hoogbegaafde werkende redelijk bevlogen. Hoogbegaafden in loondienst blijken echter beduidend minder bevlogen zijn dan de gemiddelde Nederlandse werknemer. De zelfstandige hoogbegaafde daarentegen is juist meer bevlogen dan de gemiddelde Nederlandse werknemer.

Onder de onderzochte hoogbegaafden wordt burn-out gemiddeld genomen weinig ervaren, maar ze zijn, op de hoogbegaafde ZZP-ers na, wel een stuk cynischer dan de gemiddelde Nederlandse werknemer. Bovendien ervaren hoogbegaafden in loondienst ook meer uitputting op en door het werk. Omdat cynisme en uitputting kernindicatoren zijn van burn-out doet dit vermoeden dat het risico op burn-out onder hoogbegaafde werkenden wel veel hoger ligt dan bij de gemiddelde Nederlandse beroepsbevolking.

Ook potentiële werkgerelateerde verveling onder hoogbegaafde werkenden moet serieus worden genomen, aangezien er onder hen meer sprake is van onderstimulatie op het werk dan bij de gemiddelde Nederlandse werkende: 37% van de hoogbegaafden in dit onderzoek gaf aan te zijn uitgekeken op hun werk.

De resultaten geven mogelijkheden tot verbeteringen, waarmee een win-win situatie kan worden gefaciliteerd voor zowel de hoogbegaafde werkenden als de organisaties die hen in dienst hebben.

Hieronder vindt u het rapport over de resultaten van het eerste deel van het onderzoek.


130107 HB_samenvattendrapportT1DEF_jan2013.pdf (676.5 kB)








woensdag 9 januari 2013

Slim maar...

Help Kinderen Hun Talenten Benutten Door Hun Executieve Functies Te Versterken

Er is niets frusterender dan slimme, getalenteerde kinderen steeds weer te zien worstelen met simpele taken als huiswerk, opruimen of aankleden. Of met het omgaan met teleurstelling of boosheid. Recent onderzoek laat zien dat deze kinderen tekortschieten in executieve functies.

Executieve functies maken het mogelijk om rationele beslissingen te nemen, impulsen onder controle te houden en te kunnen focussen op wat belangrijk is. Verminderde executieve functies leiden tot problemen met doelgericht gedrag. Dat komt voor bij kinderen met ADHD, autisme, leerstoornissen en niet-aangeboren hersenafwijkingen.

In Slim maar … hebben Peg Dawson en Richard Guare baanbrekend onderzoek vertaald naar uiterst praktische adviezen en tips. Met behulp van werkbladen, vragenlijsten en uitgebreide leeftijdsgebonden informatie kunnen ouders en professionals voor elk kind een specifiek en effectief actieplan opstellen.

- Herken de sterke en zwakke punten bij kinderen
- Gebruik activiteiten en spelletjes om specifieke vaardigheden te trainen
- Oefen dagelijkse routines zoals aankleden, huiswerk maken, naar bed gaan
- Leer kinderen strategieën om beter met andere kinderen om te gaan
- Help kinderen zich minder angstig en meer zelfverzekerd te voelen

Peg Dawson is psycholoog aan het Center for Learning and Attention Disorders in Portsmouth, New Hampshire. Richard Guare is neuropsycholoog en directeur van dit Center. Beiden hebben meer dan 30 jaar ervaring met het werken met kinderen met aandachtstekort-, leerstoornissen en gedragsproblemen.



maandag 3 december 2012

Talentontwikkeling van hoogbegaafde leerlingen in het basisonderwijs

Talentontwikkeling voor een hoogbegaafde leerling vergt meer dan alleen het geven van instructie aan deze doelgroep

Jelluma, R.C. (2012)

Abstract: In het onderzoek zijn twee instructiebenaderingen bij hoogbegaafden in het basisonderwijs vergeleken met elkaar. Dit is gedaan omdat uit literatuur is gebleken dat de instructie van invloed is op de kennis, het inzicht en de motivatie van hoogbegaafde leerlingen in het basisonderwijs. 

Voor het onderzoek zijn directe instructie (FPI) en onderzoekend leren instructive (Scientific Reasoning) vergeleken op mathematische kennis, inzicht (conceptuele kennis en misconcepties van het domein drijven en zinken) en motivatie (emotionele staat, taakrelevantie en flow-ervaring). Aan het onderzoek deden 30 hoogbegaafde leerlingen uit groep 7 en 8 van het basisonderwijs regio Hengelo mee. 

De resultaten waren dat op de concepten mathematische kennis, conceptuele kennis en taakrelevantie geen verschil in niveau tussen de twee vormen van instructie is gevonden. Op het gebied van inzicht betreffende misconcepties was het resultaat dat de hoogbegaafde leerlingen na een onderzoekend leren instructie beter in staat is de misconcepties te verlaten dan na een directe instructie. De hoogbegaafde leerlingen geven aan dat hun emotionele staat na de directe instructie overwegend blij is en na de onderzoekend leren instructie is dat vooral een gevoel van zekerheid. Tot slot bleek de flow-ervaring van hoogbegaafde leerlingen na de onderzoekend leren instructie lager te zijn dan na de directe instructie. 

De wetenschappelijke implicatie is dat hoogbegaafde leerlingen het niet altijd leuker vinden om na te denken in de zin van het op originele en vindingrijke wijze oplossingen voor problemen bedenken en problemen kunnen bedenken. Praktische implicatie is dat onderzoekend leren instructie uitnodigt tot meer tot nadenken, wat uiteindelijk leidt tot elaboratieprocessen die gerelateerd zijn aan hogere leerprestaties.

zaterdag 24 november 2012

Hoe laten we onderpresteerders uitblinken?

NWO PROO-subsidie voor onderzoek naar potentieel excellente leerlingen

Ze zijn bovenmatig intelligent, maar toch blijven hun prestaties in verhouding achter. Naar deze onderpresteerders doen Carla van Boxtel, Thea Peetsma, Jaap Schuitema en Sonia Palha onderzoek in hun experimentele studie 'Verbeteren van de ontwikkeling van motivatie, zelfregulatie en prestaties van potentieel excellente leerlingen met behulp van een geïntegreerd verrijkingsprogramma voor wiskunde en geschiedenis', die onlangs werd gehonoreerd met een NWO PROO-subsidie.

Van Boxtel vermoedt dat onderpresteerders, ofwel potentieel excellente leerlingen, niet volledig uit de verf komen als gevolg van verschillende redenen. Zo kan er sprake zijn van motivationele redenen, bijvoorbeeld verveling door te weinig uitdaging. Ook kan de oorzaak liggen in onvoldoende ontwikkelde zelfregulerende vaardigheden. Van Boxtel: ‘Denk hierbij aan jezelf aan het werk kunnen zetten, het werk organiseren, in staat zijn tot zelfevaluatie – ben ik goed op weg? Al deze factoren bepalen of een leerling met voldoende intelligentie ook uitblinkt.’

Lessenreeksen geschiedenis en wiskunde
Om potentieel excellente leerlingen beter te laten presteren, ontwikkelt van Boxtel samen met haar collega’s een verrijkt lesprogramma. Deze lessenreeksen op het gebied van wiskunde en geschiedenis (twee per vak) voor klas 5 vwo worden ingepast in het reguliere lesprogramma en bestaan uit uitdagende groepsopdrachten voor de hele klas, die het historisch en wiskundig redeneren moeten bevorderen. ‘Bij geschiedenis kun je leerlingen bijvoorbeeld revoluties met elkaar laten vergelijken. Wat zijn de overeenkomsten, wat de verschillen en waarom? Het zijn vragen die nogal wat analyse vergen, waarbij de leerlingen bronnen moeten bestuderen om goed onderbouwde antwoorden te formuleren. Er is niet één juist antwoord. De opdrachten zijn voor de hele klas interessant, en ze dagen potentieel excellente leerlingen uit om op een hoger en abstracter niveau te denken.’ 

Twee onderzoekers die bij het project betrokken zijn, hebben zelf ruime, vakdidactische ervaring - projectleider Carla van Boxtel als onderzoeker in de geschiedenisdidactiek en ontwikkelaar van schoolboeken en postdoc Sonia Palha als docent in het voortgezet onderwijs en promovenda in de wiskundedidactiek. Projectleider Thea Peetsma en postdoc Jaap Schuitema zijn experts op het gebied van motivatie en zelfregulering.

Meer vrijheid of meer structuur?
Om behalve het motivationele aspect (het uitdagen van leerlingen) ook het zelfregulerende aspect te kunnen onderzoeken, hanteren de onderzoekers twee condities: eentje waarbij de leerlingen meer “open” taken voorgelegd krijgen en waarbij ze autonomer zijn, en eentje waarbij de taken meer gestructureerd zijn. ‘Op deze manier kunnen we ook ontdekken of potentieel excellente leerlingen bijvoorbeeld baat hebben bij meer vrijheid, of juist bij meer structuur.’ Daarnaast wordt de invloed van de samenstelling van de groepen waarin leerlingen werken onderzocht.

32 klassen
In totaal worden 32 klassen bij het onderzoek betrokken – 12 klassen volgen de lessenreeksen geschiedenis, 12 klassen de lessenreeksen wiskunde en 8 klassen vormen de controlegroep; zij volgen het reguliere lesprogramma. Van Boxtel en haar collega’s voeren vier metingen uit: voorafgaand aan het onderzoek (de nulmeting), na de eerste lessenreeks, na de tweede lessenreeks en de laatste aan het einde van het schooljaar. Daarbij kijken de onderzoekers naar (veranderingen in) motivatie, de mate waarin leerlingen gebruik maken van zelfregulerende strategieën én naar prestaties. De prestaties worden gemeten aan de hand van een individuele toets. Die resultaten worden vergeleken met de prestaties die de leerlingen voor het begin van het onderzoek leverden, en met die van de controlegroep.

Bang dat de uitkomsten een advies opleveren waarbij de complete leermethode moet worden omgegooid, is van Boxtel niet. ‘Het bestaande curriculum wordt slechts verrijkt met bepaalde opdrachten, dus ons advies zal straks zeer goed praktisch toepasbaar zijn.’

Het onderzoek op de scholen start in het schooljaar 2013-2014 en neemt een jaar in beslag. Het totale onderzoek duurt drie jaar.

Auteur: Esther van Bochove, FMG Communicatie

Gepubliceerd door Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen




maandag 19 november 2012

Inventarisatie (hoog)begaafdheid & excellentie in het voortgezet onderwijs

Om vo-scholen beter van dienst te kunnen zijn, heeft het Informatiepunt Onderwijs, Hoogbegaafdheid en Excellentie een vragenlijst voor begaafdheids-coördinatoren opgesteld waarmee ze inzicht hopen te krijgen in welk aanbod voor (hoog)begaafde en excellente leerlingen in het voortgezet onderwijs aanwezig is en beter kunnen aansluiten bij de behoeften in het voortgezet onderwijs betreffende het begeleiden van (hoog)begaafde en zeer talentvolle leerlingen. Het informatiepunt stelt het zeer op prijs als u (of uw collega die zich hiermee bezig houdt) aan dit onderzoek wilt meewerken.

Met ingang van 1 januari 2012 is het landelijke Informatiepunt Onderwijs, Hoogbegaafdheid en Excellentie voor het voortgezet onderwijs gevestigd bij SLO, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling. Omdat zij graag willen weten hoe het onderwijsveld omgaat met het thema (hoog)begaafdheid en excellentie en aan welke ondersteuning er behoefte is, vragen zij u mee te werken aan een inventarisatieonderzoek.

De vragenlijst bestaat uit 40 vragen. Het invullen ervan duurt maximaal 15 minuten. Bovendien maakt u dan kans op gratis deelname aan de internationale conferentie in 2014 over (hoog)begaafdheid in Nederland. De resultaten van dit onderzoek worden gebruikt om het aanbod af te stemmen op uw wensen en zullen in december 2012 op deze website te lezen zijn.

Klik hier om de vragenlijst in te vullen. Alvast bedankt voor uw bijdrage!


donderdag 15 november 2012

Instructiebenaderingen bij hoogbegaafde kinderen; effecten van directe instructie en onderzoekend leren.

Zowel onderzoekend leren als directe instructie zijn veel gebruikte instructiebenaderingen in het basisonderwijs. Gemiddelde leerlingen hebben vooral baat bij directe instructie (Oude Kamphuis & de Wilde, 2012). Hoogbegaafde leerlingen leren anders dan gemiddelde leerlingen, waardoor je zou kunnen veronderstellen dat hoogbegaafde leerlingen baat hebben bij een andere instructiebenadering. Deze studie onderzoekt de effectiviteit van verschillende instructiebenaderingen bij hoogbegaafde leerlingen in de bovenbouw van het primair onderwijs. 

In totaal hebben 64 hoogbegaafde leerlingen gewerkt aan het domein elektriciteit. Zij zijn willekeurig verdeeld over drie condities: a) Directe instructie, b) Begeleid onderzoekend leren en c) Onbegeleid onderzoekend leren. Leerlingen in de conditie directe instructie kregen een video te zien waarbij een leerkracht het experiment uitvoerde met een elektriciteitssetje. Leerlingen die zich bezighielden met onderzoekend leren (begeleid of onbegeleid) werkten zelf met een elektriciteitssetje. 

Leerlingen in de conditie begeleid onderzoekend leren kregen ondersteuning door middel van een stappenplan en leerlingen in de conditie onbegeleid onderzoekend leren kregen geen ondersteuning tijdens het experimenteren. Er is gekeken naar de interesse van leerlingen met betrekking tot het onderwerp, de leeropbrengst op korte en lange termijn en de stemming en flow van leerlingen. De interesse van leerlingen had geen invloed op de resultaten. De verwachting was dat begeleid onderzoekend leren voor hoogbegaafde leerlingen het hoogste leerresultaat zou opleveren en de meest ervaren flow. Daarnaast werd verwacht dat onbegeleid onderzoekend leren de meest positieve stemming opleverde bij leerlingen tijdens het werken aan de taak. 

Resultaten laten zien dat het hoogste leerresultaat voortkwam uit de instructiebenadering begeleid onderzoekend leren. Onbegeleid onderzoekend leren bleek het laagste leerresultaat op te leveren. Leerlingen in de conditie begeleid onderzoekend leren hadden een positievere stemming en flow ervaren dan de andere twee condities. Hoogbegaafde leerlingen hebben dus baat bij een andere instructiebenadering dan gemiddelde leerlingen.


Master thesis Loes Gersen
Supervised by:
Dr. T.H.S. Eysink
A.M. van Dijk, MSc.
August 2012 - University of Twente


Attachments:
[Instructiebenaderingen bij hoogbegaafde kinderen; effecten van directe instructie en onderzoekend leren. DUTCH ONLY] 777 Kb